Traditioneel werd er geschreven met een ganzenveer. Ganzenveren werden gebruikt om te schrijven tot in de 18e eeuw. Het onderste deel van de veren kan eenvoudig worden bijgesneden zodat ze direct klaar zijn voor gebruik.
De sjamanistische traditie van gedaanteverandering voert terug tot het Mesolithicum. Deze traditie bleef bestaan tijdens de Bronstijd, de tijd van de Germanen, Kelten en Vikingen. Tijdens een rituele extase verlaat een sjamanistische priesteres haar eigen lichaam en versmelt ze met het mythologische wezen dat ze symboliseert. Dit zien we terug in Oudnoorse bronnen die benadrukken dat men met deze seidr-rituelen de toekomst kon voorspellen. Watervogels speelden een speciale rol voor deze beoefenaars. In verschillende graven van Viking-völva’s zijn resten van watervogels aangetroffen.










